Aan de voet van Mount Everest

Al een paar dagen rijden we door het verlaten, ruige landschap van Tibet. Bergen, valleien en vlaktes, bedekt met wat struikjes, mos en gras. Verder is er niets. De weinige wegen zijn verlaten. Er is niemand in de wijde omtrek te bekennen. Hoe dichter we bij het klooster komen, hoe slechter de weg wordt. Het asfalt maakt plaats voor een verharde weg met kuilen. De vele haarspeldbochten zorgen ervoor dat we maar langzaam omhoog rijden. Maar hoe hoger we komen hoe beter het uitzicht wordt. Bergen met besneeuwde bergtoppen laten zich zien. Als we boven op de pas zijn, kunnen we eindelijk de berg der bergen zien, de Mount Everest, omringd door vele andere bergen. We stoppen hier met de auto en lopen nog een stukje omhoog, hijgend door de ijle lucht. De wind snijdt in onze gezichten, het is zo koud. Al dagen ben ik onafscheidelijk met mijn muts en handschoenen. We kijken om ons heen en de witte toppen van de Himalaya zijn een schril contrast met het grijze landschap. De onmiskenbare top van de Mount Everest pik je er zo uit.

Uitzicht op de Himalaya

We vervolgen onze weg richting het Rongphu klooster, dit is het hoogstgelegen klooster van de wereld. In 1902 is dit klooster gesticht en het kijkt uit op de Mount Everest. Het is de dichtstbijzijnde slaapplek in de buurt van Mount Everest. Voor het klooster staan al een aantal jeeps geparkeerd. We zijn niet de enige. Gelukkig is er nog een kamer vrij, met uitzicht. Vanavond slapen we op 5100 meter hoogte. We lopen wat rond door het klooster, er wapperen vlaggetjes in de wind en er is een stoepa te zien met de Mount Everest op de achtergrond. Verder is er niet veel en het is buiten koud en guur.

Aan het begin van de avond begint het te sneeuwen

We zoeken de warmte op van de grote ‘huiskamer’. In een grote ruimte met kachel, wat tafels en banken kunnen alle toeristen opwarmen, eten of gezellig verhalen uitwisselen. De kamer staat al snel blauw van de rook, maar het is er warm en behaaglijk. Er zit een groep van Koning Aap en al snel vliegen de verhalen over tafel. Het is een gezellige boel.

Van slapen komt niet veel terecht. Op deze grote hoogte is het nog moeilijker om adem te halen. In de auto merk je er niet veel van, maar liggend in een ijskoud bed voelt de ademhaling zwaar en moeizaam. Gelukkig hebben we geen hoofdpijn of andere tekenen van hoogteziekte, maar ik ben klaarwakker. Ik tel de uren voor het tijd is om op te staan. In alle vroegte staan we in het pikkedonker op en ik blijk niet de enige met slaapproblemen te zijn geweest. Het is koud in onze kamer, dat maakt het opstaan niet makkelijk. Snel trek ik mijn kleren aan en verzamel mijn spullen. Ik stop nog even een mars in mijn jaszak, straks kan ik vast wat energie gebruiken.

Als we dik aangekleed buiten komen, dwarrelt er nog steeds sneeuw naar beneden. De lucht is daarentegen helder en de sterren laten zich zien. Samen met de groep van Koning Aap beginnen we aan de tocht naar het Everest Basecamp. Het is donker en de sterren schijnen nog boven ons. We zetten er aardig de pas in en al snel heb ik het heet. De sneeuw knerpt onder onze voeten en met onze hoofdlampjes kunnen we toch enigszins zien waar we onze voeten neerzetten. De weg gaat over heuvels en soms moeten we een stukje klimmen. Ook moeten we een riviertje oversteken. Gelukkig kunnen we via een paar stenen naar de overkant. Door de ijle lucht ben je bij het minste geringste buiten adem, wat de klim niet makkelijk maakt. Ook lopen en kletsen is niet te doen op deze hoogte, ik word er benauwd van. Soms moeten we wachten op de langzameren van de groep. Vanwege de kou, koel ik snel af. Al snel heb ik het koud. Heel koud. We proberen in beweging te blijven en niet te veel te stoppen.

Langzaam begint het licht te worden. De witte wereld om ons heen wordt zichtbaar. De zon verlicht de top van de Mount Everest in een gouden gloed, die langzaam verder de berg verlicht. Nog even en we zijn bij het Basecamp, nu leeg en verlaten omdat het klimseizoen erop zit. Er staat alleen nog een klein huisje, wat tijdens het seizoen dienstdoet als postkantoor. Nu zijn we echt op het dak van de wereld. Veel hoger dan dit wordt het niet, tenzij je de klim naar boven waagt.

Rillend kijk ik om me heen. Mijn gezicht is stijf, mijn vingers en benen halfbevroren.  Ik heb het zo kou dat ik niet echt kan genieten van waar ik ben. De plek gaat bijna langs me heen. Ik probeer te beseffen dat ik op 5500 meter hoogte sta. Aan de voet van de Mount Everest. Een plek waar niet veel mensen komen. Snel maken we wat foto’s en beginnen aan onze weg terug naar het klooster. Gelukkig zijn de eerste jeeps ook gearriveerd en kunnen we met één van de jeeps terug rijden. Verkleumd zitten we dicht tegen elkaar aan. Binnen 10 minuten zijn we terug en kunnen we opwarmen bij het vuur. Ik haal mijn fles water uit de tas en zie dat het stijf bevroren is. Ook aan mijn snickers heb ik niets, deze is ook keihard.  

Met warme thee in mijn handen duurt het een tijd voor ik weer opgewarmd ben. Voordat ik me weer een beetje mens voel. Zo koud heb ik het nog nooit gehad. De thermometer wees bij terugkomst -12 aan. Het voelde veel kouder. Nu bij het vuur met warme thee begin ik weer te ontdoooien. Dan besef ik waar ik net geweest bent. Aan de voet van de Mount Everest, een plek waar ik waarschijnlijk nooit meer terug ga komen. Buiten geniet ik nog een keer extra van het uitzicht. Niet zo dichtbij als vanochtend, maar nog steeds een prachtig gezicht. We maken nog even wat foto’s in het zonnetje. Mount Everest zal ik nooit vergeten: een slapeloze nacht en die enorme snijdende kou.

Nu kan ik tenminste wel lachen!
Rongphu Monastery, Tibet
Oktober 2006

Related posts