Een elf genaamd Pelíšek

Een elf genaamd Pelíšek

In het Boheemse Paradijs liggen de rotsen van Prachov oftewel de Prachovské skaly. Het is een plek waar je tussen smalle kloven kan dwalen en op grote rotsen kan klimmen om vervolgens van het uitzicht te genieten. Deze rotsstad is een heerlijke om rond te struinen tussen de grijzen rotsen en de vele bomen, die overal op, naast en tussen groeien. Volgens de verhalen had deze prachtige plek ook een bijzondere inwoner, namelijk de elf Pelíšek.

Deze vriendelijke en behulpzame elf was een grappenmaker op en top. Hij haalde regelmatig streken uit bij zijn vrienden. Hij woonde ergens in een grot in de Prachovské skaly met uitzicht op de Jizera bergen en het Reuzengebergte. Zijn prachtige tuin was zijn lust en zijn leven waar hij veel bloemen in liet groeien. Deze waren een geschenk van de machtige reus Krakonoš, die door het Reuzengebergte dwaalt.

Dit kan niet waar zijn!

Pelíšek was een druk baasje, hij rende door het hele Boheemse Pararijs heen en weer. Hij woonde dan weer eens hier en dan weer daar. Overal bouwde de rusteloze elf een bed, zodat hij altijd een plek had om uit te rusten. Het schijnt dat er op de vele rosten in het Boheemse Paradijs platte stukken te vinden zijn, die wel eens een bed voor dit drukke baasje geweest zouden kunnen zijn. Maar zijn favoriete plek was wel zijn kleine grot met zijn prachtige tuin vol met bloemen.

Pelíšek groeide kruiden voor zijn thee en door het jaar heen groeiden en bloeiden er vele kleurrijke bloemen. Van sneeuwklokjes, tot boterbloemen en asters. Zijn tuin stond er altijd prachtig bij. Maar op een dag toen Pelíšek thuiskwam, zag hij dat iemand de bloemen in zijn tuin had geplukt en het gras had vertrapt. Hij werd razend. ‘Dit kan niet waar zijn!’ riep hij woedend uit. ‘Niemand kan mijn tuin vernielen en ermee wegkomen. Ik zal erachter komen wie dit gedaan heeft!’ Zijn woede-uitbarsting was in de hele vallei te horen en echode eindeloos door tussen de rotsen.

Een elf genaamd Pelíšek
De rotsen van Prachov

In de avond kroop Pelíšek zachtjes naar het raam van het dorpscafé om de gesprekken af te luisteren. Een kleine man zei: ‘Heren, ik zal jullie iets vertellen wat jullie niet weten. De ridder Čéč heeft ons op zijn kasteel uitgenodigd. Blijkbaar heeft hij iets wat niemand ooit heeft gezien.’ Een andere, grotere man stond op en zei: ‘Het hele land weet dat al! De ridder Čéč heeft ergens prachtige bloemen vandaan gehaald en wil er mee pronken.’  Iedereen in het dorpscafé moest lachen. ‘Anders zou hij ons niet op het kasteel uitnodigen.’

Pelíšek wist meteen dat hij de schuldige had ontdekt en besloot dat die gestraft moest worden. Die avond was hij druk in de weer. Hij rende door de hele regio om vuurvliegjes te zoeken, die beloofde om hem te helpen. Overdag telde hij voorzichtig alle vuurvliegjes en bewaarde ze in zijn tas zodat ze niet konden wegvliegen. Zodra het donker werd ging Pelíšek op weg naar het kasteel van de ridder. De maan stond al hoog aan de hemel en het gekras van uilen echode door de vallei. Plotseling werd de stilte doorbroken door het geluid van aankomende paarden.

Heren, ik zal jullie iets vertellen wat jullie niet weten.

‘Hij komt eraan,’ jubelde de elf, ‘lieve vuurvliegjes jullie zijn vrij.’ De vuurvliegjes vlogen op en hun licht scheen op de weg. Pelíšek rende naar de vijver en verlichte het pad in het gras met de kleine lichtjes. De laatste vuurvliegjes, die het meeste licht gaven, vlogen boven de vijver. Zo was er voor de ridder een verlicht pad aangelegd, dat naar de vijver leidde.

Pelíšek verstopte zich tussen het riet en wachtte ongeduldig af. De ridder probeerde tevergeefs de schitterende lichtjes te pakken. Wat zou graag deze lichtjes meenemen voor in zijn mooie, nieuwe tuin. Toen reed de koets zo de weg af en de vijver in. Pelíšek hoorde hem vloeken en tieren, de ridder was woest op de vuurvliegjes. De elf kon het niet helpen en barstte in lachen uit. De ridder had meteen door wie er achter deze streek zat. De stem van Pelíšek klonk door de stille en vredige nacht. ‘Beroof de natuur niet als je zelf geen kwaad wilt overkomen.’ Het was een les die ridder Čéč de rest van zijn leven zou onthouden. Hij klom uit de vijver, rillend van de kou. Toen hij Pelíšek op de weg zag staan, riep hij: ‘Kom. Ik zal je al je bloemen teruggeven.’

‘Houd ze maar meneer, maar zorg er net zo goed voor als ik zou doen,’ antwoorde Pelíšek en ging terug naar zijn grot. De volgende ochtend ging Pelíšek op bezoek bij Krakonoš, die hem nieuwe bloemen gaf. De tuin van Pelíšek schitterde opnieuw in Prachovské skály. Niemand waagde het ooit nog om zijn prachtige tuin te vernielen.

Prachovské skaly, Tsjechië
Bron: http://www.ceskyrajdetem.cz

Related posts